Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Vervoeging van kennen

  • Betekenis kennen
  • Niveau A1
  • Patroon onregelmatig
  • Hulpwerkwoord haben

Wat bijzonder is aan dit werkwoord

  • Gemengd werkwoord: uitgangen als een zwak werkwoord, maar met stamwisseling: kannte, gekannt. → Gemengde werkwoorden: bringen, brachte
  • Uit de woordenlijst: Voor mensen en plaatsen; feiten zijn wissen.

Vet en onderstreept: de uitgang. ◆ markeert een vorm die van de regel afwijkt.

Aantonende wijs

PlusquamperfektPlusquamperfekt (voltooid verleden tijd)

ichhatte gekannt
duhattest gekannt
er/​sie/​eshatte gekannt
wirhatten gekannt
ihrhattet gekannt
sie/​Siehatten gekannt

Meer hierover: Het Plusquamperfekt: wat daarvoor al gebeurd was

Futur IIvoltooid toekomende tijd

ichwerde gekannt haben
duwirst gekannt haben
er/​sie/​eswird gekannt haben
wirwerden gekannt haben
ihrwerdet gekannt haben
sie/​Siewerden gekannt haben

Vormen van de Konjunktiv

Konjunktiv IKonjunktiv I, indirecte rede

ichkenne
dukennest
er/​sie/​eskenne
wirkennen
ihrkennet
sie/​Siekennen

Gebiedende wijs

Imperativgebiedende wijs, bevestigend

dukenn
ihrkennt
Siekennen Sie

Meer hierover: De gebiedende wijs

Onvervoegde vormen

Voorbeeldzinnen uit de cursus

Elke zin komt uit de woordenlijsten of grammaticathema’s van deze cursus. De werkwoordsvorm is gemarkeerd; eronder staat welke tijd en persoon het is.

  • Kennst du seine Schwester?Ken je zijn zus?

    Kennst – Präsens · du

  • Dieses Wort kenne ich nicht.Dit woord ken ik niet.

    kenne – Präsens · ich; Konjunktiv I · ich

  • Ich kannte ihn gut.Ik kende hem goed.

    kannte – Präteritum · ich; Präteritum · er/sie/es · Gemengde werkwoorden: bringen, brachte

  • Ich habe ihn kaum gekannt.Ik kende hem nauwelijks.

    gekannt – Partizip II

  • Wir kannten uns schon lange.We kenden elkaar al lang.

    kannten – Präteritum · wir; Präteritum · sie/Sie · Gemengde werkwoorden: bringen, brachte

  • Wir kennen uns seit der Schulzeit.We kennen elkaar al sinds de schooltijd.

    kennen – Präsens · wir; Präsens · sie/Sie · Wat de tegenwoordige tijd allemaal doet

Meer voorbeeldzinnen

  • Kennst du ein gutes Restaurant in der Altstadt?Ken je een goed restaurant in de oude binnenstad?

  • Wir kennen uns schon seit der Grundschule.We kennen elkaar al sinds de basisschool.

  • Ich kenne das Lied, aber nicht den Titel.Ik ken het liedje, maar niet de titel.

Typische fouten van Nederlandstaligen

  • Fout Ich kenne ihn nur vom Gesicht.

    Goed Ich kenne ihn nur vom Sehen.

    “Iemand van gezicht kennen” zegt het Duits met vom Sehen: je hebt hem gezien, meer niet. vom Gesicht zegt in die combinatie niets.

Vaste combinaties

  • sich gut auskennen — goed de weg weten
  • keine Grenzen kennen — geen grenzen kennen
  • jemanden flüchtig kennen — iemand oppervlakkig kennen

Werkwoorden die je makkelijk verwart

  • wissen Een persoon, een plek of een liedje kennst je; een feit of een antwoord weißt je.
  • lernen Iemand leren kennen is kennenlernen, meestal aan elkaar geschreven (los, kennen lernen, mag ook).
  • treffen Wie je al kennst, kun je treffen.

Kort oefenen

Open plekken: 5 – eerst uit de voorbeeldzinnen hierboven, dan uit de tabel. Elk antwoord telt mee voor je herhalingen.

Verder leren

Werkwoorden met hetzelfde patroon

Bijpassende grammaticathema’s

De vormen zijn berekend volgens de regels van de taal – twee keer, langs twee onafhankelijke wegen – en vergeleken met alle met de hand geschreven vormen in deze cursus. De voorbeeldzinnen zijn eigen zinnen van de cursus.