Woordenschattest Duits
Vijf woorden uit elk niveau. Daarna zie je welk deel van deze woorden (1720) waarschijnlijk vastzit – als marge, niet als rond getal. Er wordt niets opgeslagen en niets verstuurd.
Wat deze test meet – en wat niet
Hij meet deze woordenschat, niet het hele Duits. Wie veel vakwoorden kent die hier ontbreken, komt er slechter uit dan terecht is. Een getal als “je kent zoveel Duitse woorden” zou deze site niet kunnen onderbouwen – de woorden hier (1720) wel.
Hij telt niet mee voor je voortgang. Het is een meting en geen oefening: anders verandert het meten wat er gemeten wordt. De woorden uit de test zouden in vak 1 van de kaartenbak belanden en morgen te herhalen zijn.
Vijf vragen per niveau is weinig, en daarom komt er een marge uit en geen getal. Er wordt gerekend met het 95%-betrouwbaarheidsinterval van Wilson – bij kleine steekproeven ligt het aandeel vaak op 0 of 1, en precies daar geeft de gewone berekening grenzen buiten 0 en 100 %.
Voorbeeldzinnen
A1 Sie wohnt in der Schweiz.Ze woont in Zwitserland.
A1 Ich glaube, das stimmt nicht.Ik geloof niet dat dat klopt.
A1 Das Frühstück gibt es ab sieben.Het ontbijt is vanaf zeven uur.
A1 Mein Fahrrad steht im Keller.Mijn fiets staat in de kelder.
A2 Etwas Öl in die Pfanne geben.Wat olie in de pan doen.
A2 Mir ist kalt, hast du eine Decke?Ik heb het koud, heb je een deken?
A2 Er trinkt keinen Alkohol.Hij drinkt geen alcohol.
A2 Gibt es etwas Vegetarisches?Is er iets vegetarisch?
B1 Die Wiese wird zweimal im Jahr gemäht.Het grasland wordt twee keer per jaar gemaaid.
B1 An Silvester bleiben wir zu Hause.Op oudejaarsavond blijven we thuis.
B1 Sie möchte ihr Deutsch verbessern.Ze wil haar Duits verbeteren.
B1 Wir ziehen zum Ersten ein.We trekken er op de eerste in.