Startpagina › Woordenschat › Telefoon, internet en media › Telefoon en internet
Oefen deze lijst
Zo kun je oefenen
Uit deze woorden (48), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst De mobiele telefoon heet in Duitsland das Handy — een woord dat Engelstaligen niet kennen. In Oostenrijk en Zwitserland zegt men ook das Natel (Zwitserland) of gewoon Handy . Aan de telefoon noemen Duitsers vaak meteen hun achternaam: Müller? of Hier ist Müller . Ophangen is auflegen , terugbellen zurückrufen .
De woorden
Weergave Beknopt Met voorbeelden
Werkwoord (16)
auflegen ophangen Werkwoord B1 Er hat einfach aufgelegt. Hij heeft gewoon opgehangen.
schicken sturen Werkwoord A2 Schick mir bitte die Adresse. Stuur me alsjeblieft het adres.
klicken klikken Werkwoord A2 Klicken Sie auf das Feld unten. Klikt u op het veld beneden.
speichern opslaan Werkwoord A2 Hast du das gespeichert? Heb je dat opgeslagen?
löschen wissen, verwijderen Werkwoord A2 Ich habe die Nachricht aus Versehen gelöscht. Ik heb het bericht per ongeluk gewist.
herunterladen downloaden Werkwoord B1 Die App lässt sich kostenlos herunterladen. De app is gratis te downloaden.
hochladen uploaden Werkwoord B1 Laden Sie das Foto bitte hoch. Uploadt u alstublieft de foto.
sich abmelden uitloggen; zich afmelden Werkwoord B1 Bitte melden Sie sich nach der Sitzung ab. Log na de sessie alstublieft uit.
Ook bij de gemeente: sich abmelden = zich uitschrijven.
funktionieren werken, functioneren Werkwoord A2
abstürzen crashen, vastlopen Werkwoord B1 Das Programm ist wieder abgestürzt. Het programma is weer gecrasht.
drucken printen, afdrukken Werkwoord A2 Können Sie mir das ausdrucken? Kunt u dat voor me afdrukken?
zurückrufen terugbellen Werkwoord A2 Ich rufe Sie in einer Stunde zurück. Ik bel u over een uur terug.
informieren informeren, inlichten Werkwoord A2 Bitte informieren Sie uns rechtzeitig. Licht u ons alstublieft op tijd in.
hinterlassen achterlaten Werkwoord B1 Sie können eine Nachricht hinterlassen. U kunt een bericht achterlaten.
vergrößern vergroten, inzoomen Werkwoord B1 Mit zwei Fingern kann man das Foto vergrößern. Met twee vingers kun je op de foto inzoomen.
erfahren te weten komen, horen Werkwoord B1 Wie hast du davon erfahren? Hoe ben je dat te weten gekomen?
Ook bijvoeglijk: erfahren = ervaren.
Zelfstandig naamwoord (29)
Grammatica hierbij: De drie geslachten · Het meervoud
das Handy de mobiele telefoon Zelfstandig naamwoord A1 Mein Handy ist gleich leer. Mijn telefoon is bijna leeg.
die Nummer het nummer Zelfstandig naamwoord A1 Hast du meine Nummer? Heb je mijn nummer?
der Anruf het telefoontje Zelfstandig naamwoord A2 Da war ein Anruf für dich. Er was een telefoontje voor je.
das Gespräch het gesprek Zelfstandig naamwoord A2 Das Gespräch dauerte keine Minute. Het gesprek duurde nog geen minuut.
die Mailbox de voicemail Zelfstandig naamwoord A2 Sprich mir auf die Mailbox. Spreek iets in op mijn voicemail.
die Vorwahl het netnummer Zelfstandig naamwoord B1 Die Vorwahl für Berlin ist 030. Het netnummer van Berlijn is 030.
die Nachricht het bericht; het nieuws Zelfstandig naamwoord A2 Ich schicke dir gleich eine Nachricht. Ik stuur je zo een bericht.
Meervoud die Nachrichten is ook “het journaal”.
die E-Mail de e-mail Zelfstandig naamwoord A1 Die E-Mail ist nicht angekommen. De e-mail is niet aangekomen.
die Adresse het adres Zelfstandig naamwoord A1 Meine Adresse hat sich geändert. Mijn adres is veranderd.
der Anhang de bijlage Zelfstandig naamwoord B1 Im Anhang finden Sie die Unterlagen. In de bijlage vindt u de documenten.
der Betreff het onderwerp (e-mail) Zelfstandig naamwoord B1 Schreiben Sie bitte etwas in den Betreff. Vul alstublieft iets in bij het onderwerp.
das Internet het internet Zelfstandig naamwoord A1 Im Internet steht das auch. Dat staat ook op internet.
die Webseite de website Zelfstandig naamwoord A2 Die Webseite lädt sehr langsam. De website laadt heel langzaam.
der Link de link Zelfstandig naamwoord A2 Der Link funktioniert nicht mehr. De link werkt niet meer.
der Computer de computer Zelfstandig naamwoord A1 Der Computer braucht ewig zum Starten. De computer doet er eeuwig over om op te starten.
der Bildschirm het scherm Zelfstandig naamwoord A2 Auf dem Bildschirm ist nichts zu sehen. Er is niets te zien op het scherm.
die Tastatur het toetsenbord Zelfstandig naamwoord B1 Die Tastatur hat ein deutsches Layout. Het toetsenbord heeft een Duitse indeling.
Op een Duits toetsenbord zitten Y en Z omgewisseld.
die Datei het bestand Zelfstandig naamwoord A2 Die Datei ist zu groß zum Verschicken. Het bestand is te groot om te versturen.
das Passwort het wachtwoord Zelfstandig naamwoord A2 Ich habe mein Passwort vergessen. Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
die App de app Zelfstandig naamwoord A2 Die App gibt es nur auf Duits. De app is alleen in het Engels.
das Netz het netwerk, het bereik Zelfstandig naamwoord A2 Hier habe ich kein Netz. Ik heb hier geen bereik.
das WLAN de wifi Zelfstandig naamwoord A2 Wie ist das WLAN-Passwort? Wat is het wifi-wachtwoord?
der Drucker de printer Zelfstandig naamwoord A2 Der Drucker hat kein Papier mehr. De printer heeft geen papier meer.
das Programm het programma Zelfstandig naamwoord A2 Welches Programm benutzt du dafür? Welk programma gebruik je daarvoor?
die Verbindung de verbinding Zelfstandig naamwoord B1 Die Verbindung ist sehr schlecht. De verbinding is heel slecht.
der Absender de afzender Zelfstandig naamwoord B1 Der Absender ist mir unbekannt. De afzender ken ik niet.
die Neuigkeit het nieuwtje Zelfstandig naamwoord B1 Ich habe eine gute Neuigkeit für dich. Ik heb goed nieuws voor je.
der Laptop de laptop Zelfstandig naamwoord A2 Mein Laptop ist neu. Mijn laptop is nieuw.
das Signal het signaal Zelfstandig naamwoord B1 Im Keller hat das Handy kein Signal. In de kelder heeft de telefoon geen bereik.
Bijvoeglijk naamwoord (3)
Grammatica hierbij: Bijvoeglijk naamwoord na “sein” · Vergrotende en overtreffende trap
besetzt bezet Bijvoeglijk naamwoord A2 Die Leitung ist immer noch besetzt. De lijn is nog steeds bezet.
online online Bijvoeglijk naamwoord A2 Das kann man auch online erledigen. Dat kan ook online geregeld worden.
erreichbar bereikbaar Bijvoeglijk naamwoord B1 Am Wochenende bin ich nicht erreichbar. In het weekend ben ik niet bereikbaar.
Terug naar de overhoring ↑
Mis je een woord? Zoek het op in het woordenboek
“Der Rechner” is de computer, de rekenaar, van “rechnen”. Veel mensen zeggen gewoon “der Computer”, en beide zijn goed.
Deze lijst hoort bij Telefoon, internet en media — lijsten: een, woorden: 48; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.
Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining
De overhoring heeft JavaScript nodig. Alles hierboven werkt ook zonder.
← Gevoelens en karakter Hoe vaak en wanneer →