Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

Vervoeging van sitzen

  • Betekenis zitten
  • Niveau A1
  • Patroon onregelmatig
  • Hulpwerkwoord haben

Wat bijzonder is aan dit werkwoord

Vet en onderstreept: de uitgang. ◆ markeert een vorm die van de regel afwijkt.

Aantonende wijs

PlusquamperfektPlusquamperfekt (voltooid verleden tijd)

ichhatte gesessen
duhattest gesessen
er/​sie/​eshatte gesessen
wirhatten gesessen
ihrhattet gesessen
sie/​Siehatten gesessen

Meer hierover: Het Plusquamperfekt: wat daarvoor al gebeurd was

Futur IIvoltooid toekomende tijd

ichwerde gesessen haben
duwirst gesessen haben
er/​sie/​eswird gesessen haben
wirwerden gesessen haben
ihrwerdet gesessen haben
sie/​Siewerden gesessen haben

Vormen van de Konjunktiv

Konjunktiv IKonjunktiv I, indirecte rede

ichsitze
dusitzest
er/​sie/​essitze
wirsitzen
ihrsitzet
sie/​Siesitzen

Gebiedende wijs

Imperativgebiedende wijs, bevestigend

dusitz
ihrsitzt
Siesitzen Sie

Meer hierover: De gebiedende wijs

Onvervoegde vormen

Voorbeeldzinnen uit de cursus

Elke zin komt uit de woordenlijsten of grammaticathema’s van deze cursus. De werkwoordsvorm is gemarkeerd; eronder staat welke tijd en persoon het is.

  • Die Schraube sitzt fest.De schroef zit vast.

    sitzt – Präsens · du; Präsens · er/sie/es

  • Wir sitzen auf dem Balkon.We zitten op het balkon.

    sitzen – Präsens · wir; Präsens · sie/Sie

  • Wir haben draußen gesessen.We hebben buiten gezeten.

    gesessen – Partizip II

  • Ein Vogel sitzt auf dem Dach.Er zit een vogel op het dak.

    sitzt – Präsens · du; Präsens · er/sie/es

  • Im Nest sitzen vier junge Vögel.In het nest zitten vier jonge vogels.

    sitzen – Präsens · wir; Präsens · sie/Sie

  • Wir sitzen meistens im Wohnzimmer.We zitten meestal in de woonkamer.

    sitzen – Präsens · wir; Präsens · sie/Sie

Meer voorbeeldzinnen

  • Wir saßen den ganzen Abend auf der Terrasse.We zaten de hele avond op het terras.

  • Wo sitzt du im Büro?Waar zit je op kantoor?

  • Die neue Hose sitzt perfekt.De nieuwe broek zit perfect.

Typische fouten van Nederlandstaligen

  • Fout Der Schlüssel sitzt in meiner Jackentasche.

    Goed Der Schlüssel steckt in meiner Jackentasche.

    In het Nederlands “zit” een voorwerp ergens in (“de sleutel zit in mijn jas”). Van een voorwerp zegt het Duits sitzen alleen als het vastzit of goed past (Die Schraube sitzt fest). Iets in een zak steckt; anders zeg je gewoon ist.

  • Fout Ich sitze gerade zu lesen.

    Goed Ich lese gerade.

    “Ik zit te lezen” beschrijft in het Nederlands iets dat nu bezig is. Het Duits kent die vorm met zu niet; je zegt Ich lese gerade of, als het zitten ertoe doet, Ich sitze auf dem Sofa und lese.

Vaste combinaties

  • am Steuer sitzen — achter het stuur zitten
  • in der Klemme sitzen — in de knel zitten
  • auf dem Trockenen sitzen — zonder geld zitten (spreektaal)

Werkwoorden die je makkelijk verwart

  • sich setzen Gaan zitten is sich setzen; zitten is sitzen, met Dativ na het voorzetsel.
  • stehen Wat in een tekst staat, steht er ook in het Duits: Das steht im Brief. Een fout die erin “zit”, ist of steckt erin, niet sitzt.

Kort oefenen

Open plekken: 5 – eerst uit de voorbeeldzinnen hierboven, dan uit de tabel. Elk antwoord telt mee voor je herhalingen.

Verder leren

Werkwoorden met hetzelfde patroon

Bijpassende grammaticathema’s

De vormen zijn berekend volgens de regels van de taal – twee keer, langs twee onafhankelijke wegen – en vergeleken met alle met de hand geschreven vormen in deze cursus. De voorbeeldzinnen zijn eigen zinnen van de cursus.