A1 · Woorden: 40
Kleuren, vormen en maten in het Duits
Rood, rond, groot, zwaar — woorden om dingen te beschrijven.
Oefen deze lijst
Uit deze woorden (40), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.
Meer over deze lijst
Duitse bijvoeglijke naamwoorden krijgen voor een zelfstandig naamwoord een uitgang die afhangt van geslacht en naamval: ein blauer Mantel, eine blaue Jacke, ein blaues Hemd. Na het werkwoord blijven ze kaal: Der Mantel ist blau, zoals in het Nederlands. Pas op met schwer: het betekent zwaar én moeilijk. En leicht is licht én makkelijk.
De woorden
Zelfstandig naamwoord (7)
Grammatica hierbij: De drie geslachten · Het meervoud
die Farbede kleur; de verfZelfstandig naamwoordA1
Valse vriend: ook “verf” is die Farbe.
die Formde vormZelfstandig naamwoordA2
die Größede maat, de grootteZelfstandig naamwoordA1
der Meterde meterZelfstandig naamwoordA1
das Kilode kiloZelfstandig naamwoordA1
das Grammde gramZelfstandig naamwoordA2
der Literde literZelfstandig naamwoordA1
Bijvoeglijk naamwoord (33)
Grammatica hierbij: Bijvoeglijk naamwoord na “sein” · Vergrotende en overtreffende trap
rotroodBijvoeglijk naamwoordA1
blaublauwBijvoeglijk naamwoordA1
Spreektaal: blau sein betekent ook “dronken zijn”.
grüngroenBijvoeglijk naamwoordA1
gelbgeelBijvoeglijk naamwoordA1
schwarzzwartBijvoeglijk naamwoordA1
weißwitBijvoeglijk naamwoordA1
graugrijsBijvoeglijk naamwoordA1
braunbruinBijvoeglijk naamwoordA1
rosarozeBijvoeglijk naamwoordA1
Wordt meestal niet verbogen: ein rosa Hemd.
hellblaulichtblauwBijvoeglijk naamwoordA1
dunkelblaudonkerblauwBijvoeglijk naamwoordA1
buntkleurrijk, bontBijvoeglijk naamwoordA2
großgrootBijvoeglijk naamwoordA1
Bij mensen ook “lang”: Er ist groß.
kleinkleinBijvoeglijk naamwoordA1
langlangBijvoeglijk naamwoordA1
Voor mensen gebruik je groß, niet lang.
kurzkortBijvoeglijk naamwoordA1
breitbreedBijvoeglijk naamwoordA2
schmalsmalBijvoeglijk naamwoordA2
hochhoogBijvoeglijk naamwoordA1
Voor een zelfstandig naamwoord valt de c weg: ein hoher Zaun.
tiefdiepBijvoeglijk naamwoordA2
dickdikBijvoeglijk naamwoordA1
dünndunBijvoeglijk naamwoordA1
schwerzwaar; moeilijkBijvoeglijk naamwoordA1
leichtlicht; makkelijkBijvoeglijk naamwoordA1
rundrondBijvoeglijk naamwoordA2
eckighoekigBijvoeglijk naamwoordA2
geraderechtBijvoeglijk naamwoordA2
Ook bijwoord: gerade = “net, op dit moment”.
schönmooiBijvoeglijk naamwoordA1
Valse vriend: niet “schoon” (sauber).
hässlichlelijkBijvoeglijk naamwoordA2
neunieuwBijvoeglijk naamwoordA1
vollvolBijvoeglijk naamwoordA1
leerleegBijvoeglijk naamwoordA1
Valse vriend: niet “leer” (materiaal), dat is das Leder.
gleichgelijk, dezelfde; zo meteenBijvoeglijk naamwoordA1
Ook “zo meteen”: Ich komme gleich.
Mis je een woord? Zoek het op in het woordenboek
Deze lijst hoort bij Basis: getallen, tijd en werkwoorden — lijsten: acht, woorden: 321; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.