Direct naar de inhoud
EveryLingua Alle talenWoordenboek
NL

A1  ·  Woorden: 40

Kleuren, vormen en maten in het Duits

Rood, rond, groot, zwaar — woorden om dingen te beschrijven.

Oefen deze lijst

Uit deze woorden (40), zoveel per ronde als je wilt — tot en met allemaal: eerst wat vandaag te herhalen is, dan nieuwe. Eerst kies je, dan vul je in, dan schrijf je het zelf. Fouten komen al snel terug.

Meer over deze lijst

Duitse bijvoeglijke naamwoorden krijgen voor een zelfstandig naamwoord een uitgang die afhangt van geslacht en naamval: ein blauer Mantel, eine blaue Jacke, ein blaues Hemd. Na het werkwoord blijven ze kaal: Der Mantel ist blau, zoals in het Nederlands. Pas op met schwer: het betekent zwaar én moeilijk. En leicht is licht én makkelijk.

De woorden

Zelfstandig naamwoord (7)

Grammatica hierbij: De drie geslachten · Het meervoud

die Farbede kleur; de verfZelfstandig naamwoordA1
Welche Farbe hat das Auto?Welke kleur heeft de auto?

Valse vriend: ook “verf” is die Farbe.

die Formde vormZelfstandig naamwoordA2
Die Form gefällt mir besser als die Farbe.De vorm bevalt me beter dan de kleur.
die Größede maat, de grootteZelfstandig naamwoordA1
Haben Sie das in einer anderen Größe?Heeft u dit in een andere maat?
der Meterde meterZelfstandig naamwoordA1
Der Raum ist vier Meter breit.De ruimte is vier meter breed.
das Kilode kiloZelfstandig naamwoordA1
Ein Kilo Äpfel, bitte.Een kilo appels, alstublieft.
das Grammde gramZelfstandig naamwoordA2
Nehmen Sie zweihundert Gramm Mehl.Neem tweehonderd gram bloem.
der Literde literZelfstandig naamwoordA1
Wir brauchen noch einen Liter Milch.We hebben nog een liter melk nodig.

Bijvoeglijk naamwoord (33)

Grammatica hierbij: Bijvoeglijk naamwoord na “sein” · Vergrotende en overtreffende trap

rotroodBijvoeglijk naamwoordA1
Die Ampel ist rot.Het stoplicht staat op rood.
blaublauwBijvoeglijk naamwoordA1
Sie trägt einen blauen Mantel.Ze draagt een blauwe jas.

Spreektaal: blau sein betekent ook “dronken zijn”.

grüngroenBijvoeglijk naamwoordA1
Der Rasen ist noch nicht grün.Het gras is nog niet groen.
gelbgeelBijvoeglijk naamwoordA1
Der Brief kam in einem gelben Umschlag.De brief zat in een gele envelop.
schwarzzwartBijvoeglijk naamwoordA1
Ich trinke den Kaffee schwarz.Ik drink mijn koffie zwart.
weißwitBijvoeglijk naamwoordA1
Die Wände sind weiß gestrichen.De muren zijn wit geverfd.
graugrijsBijvoeglijk naamwoordA1
Der Himmel ist heute grau.De lucht is vandaag grijs.
braunbruinBijvoeglijk naamwoordA1
Sie hat braune Augen.Ze heeft bruine ogen.
rosarozeBijvoeglijk naamwoordA1
Das Kind hat ein rosa Hemd an.Het kind draagt een roze bloesje.

Wordt meestal niet verbogen: ein rosa Hemd.

hellblaulichtblauwBijvoeglijk naamwoordA1
Nimm lieber das hellblaue Hemd.Neem liever het lichtblauwe overhemd.
dunkelblaudonkerblauwBijvoeglijk naamwoordA1
Er trägt einen dunkelblauen Anzug.Hij draagt een donkerblauw pak.
buntkleurrijk, bontBijvoeglijk naamwoordA2
Der Markt war sehr bunt.De markt was heel kleurrijk.
großgrootBijvoeglijk naamwoordA1
Der Tisch ist zu groß für die Küche.De tafel is te groot voor de keuken.

Bij mensen ook “lang”: Er ist groß.

kleinkleinBijvoeglijk naamwoordA1
Wir suchen eine kleine Wohnung.We zoeken een kleine woning.
langlangBijvoeglijk naamwoordA1
Der Weg war ziemlich lang.De weg was vrij lang.

Voor mensen gebruik je groß, niet lang.

kurzkortBijvoeglijk naamwoordA1
Ich mache es kurz.Ik zal het kort houden.
breitbreedBijvoeglijk naamwoordA2
Die Straße ist hier sehr breit.De straat is hier heel breed.
schmalsmalBijvoeglijk naamwoordA2
Der Flur ist ziemlich schmal.De gang is vrij smal.
hochhoogBijvoeglijk naamwoordA1
Der Zaun ist zwei Meter hoch.Het hek is twee meter hoog.

Voor een zelfstandig naamwoord valt de c weg: ein hoher Zaun.

tiefdiepBijvoeglijk naamwoordA2
Das Wasser ist hier nicht tief.Het water is hier niet diep.
dickdikBijvoeglijk naamwoordA1
Zieh dir eine dicke Jacke an.Trek een dikke jas aan.
dünndunBijvoeglijk naamwoordA1
Die Wände sind sehr dünn.De muren zijn heel dun.
schwerzwaar; moeilijkBijvoeglijk naamwoordA1
Der Koffer ist zu schwer.De koffer is te zwaar.
leichtlicht; makkelijkBijvoeglijk naamwoordA1
Die Aufgabe war leichter als gedacht.De opdracht was makkelijker dan gedacht.
rundrondBijvoeglijk naamwoordA2
Der Tisch ist rund.De tafel is rond.
eckighoekigBijvoeglijk naamwoordA2
Die Brille hat eckige Gläser.De bril heeft hoekige glazen.
geraderechtBijvoeglijk naamwoordA2
Die Linie ist nicht ganz gerade.De lijn is niet helemaal recht.

Ook bijwoord: gerade = “net, op dit moment”.

schönmooiBijvoeglijk naamwoordA1
Das war ein schöner Abend.Het was een mooie avond.

Valse vriend: niet “schoon” (sauber).

hässlichlelijkBijvoeglijk naamwoordA2
Das Gebäude finde ich hässlich.Dat gebouw vind ik lelijk.
neunieuwBijvoeglijk naamwoordA1
Wir haben neue Nachbarn.We hebben nieuwe buren.
vollvolBijvoeglijk naamwoordA1
Der Zug war völlig voll.De trein was helemaal vol.
leerleegBijvoeglijk naamwoordA1
Die Flasche ist schon leer.De fles is al leeg.

Valse vriend: niet “leer” (materiaal), dat is das Leder.

gleichgelijk, dezelfde; zo meteenBijvoeglijk naamwoordA1
Wir haben die gleiche Größe.We hebben dezelfde maat.

Ook “zo meteen”: Ich komme gleich.

Terug naar de overhoring ↑

Mis je een woord? Zoek het op in het woordenboek

Deze lijst hoort bij Basis: getallen, tijd en werkwoorden — lijsten: acht, woorden: 321; de hele categorie kun je ook in één keer oefenen.

Deze woorden beluisteren en herkennen in de luistertraining